afpreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afpreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afpreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afprekend
Past participle - Verleden deelwoord: afgepreekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpreek af
jijpreekt af
hijpreekt af
wijpreken af
julliepreken af
zijpreken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgepreekt
jijhebt afgepreekt
hijheeft afgepreekt
wijhebben afgepreekt
julliehebben afgepreekt
zijhebben afgepreekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpreekte af
jijpreekte af
hijpreekte af
wijpreekten af
julliepreekten af
zijpreekten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgepreekt
jijhad afgepreekt
hijhad afgepreekt
wijhadden afgepreekt
julliehadden afgepreekt
zijhadden afgepreekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afpreken
jijzult afpreken
hijzal afpreken
wijzullen afpreken
julliezullen afpreken
zijzullen afpreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgepreekt hebben
jijzult afgepreekt hebben
hijzal afgepreekt hebben
wijzullen afgepreekt hebben
julliezullen afgepreekt hebben
zijzullen afgepreekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afpreken
jijzou afpreken
hijzou afpreken
wijzouden afpreken
julliezouden afpreken
zijzouden afpreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgepreekt hebben
jijzou afgepreekt hebben
hijzou afgepreekt hebben
wijzouden afgepreekt hebben
julliezouden afgepreekt hebben
zijzouden afgepreekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpreek af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De lerares preekt wat af op een dag. (The teacher preaches a lot on a daily basis.)

Etymology

Compound of af + preken.

Additional Information