wortelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wortelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wortelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wortelend
Past participle - Verleden deelwoord: geworteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwortel
jijwortelt
hijwortelt
wijwortelen
julliewortelen
zijwortelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geworteld
jijhebt geworteld
hijheeft geworteld
wijhebben geworteld
julliehebben geworteld
zijhebben geworteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwortelde
jijwortelde
hijwortelde
wijwortelden
julliewortelden
zijwortelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geworteld
jijhad geworteld
hijhad geworteld
wijhadden geworteld
julliehadden geworteld
zijhadden geworteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wortelen
jijzult wortelen
hijzal wortelen
wijzullen wortelen
julliezullen wortelen
zijzullen wortelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geworteld hebben
jijzult geworteld hebben
hijzal geworteld hebben
wijzullen geworteld hebben
julliezullen geworteld hebben
zijzullen geworteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wortelen
jijzou wortelen
hijzou wortelen
wijzouden wortelen
julliezouden wortelen
zijzouden wortelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geworteld hebben
jijzou geworteld hebben
hijzou geworteld hebben
wijzouden geworteld hebben
julliezouden geworteld hebben
zijzouden geworteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwortel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From wortel + -en.

Additional Information