portelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of portelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: portelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: portelend
Past participle - Verleden deelwoord: geporteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikportel
jijportelt
hijportelt
wijportelen
jullieportelen
zijportelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geporteld
jijhebt geporteld
hijheeft geporteld
wijhebben geporteld
julliehebben geporteld
zijhebben geporteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikportelde
jijportelde
hijportelde
wijportelden
jullieportelden
zijportelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geporteld
jijhad geporteld
hijhad geporteld
wijhadden geporteld
julliehadden geporteld
zijhadden geporteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal portelen
jijzult portelen
hijzal portelen
wijzullen portelen
julliezullen portelen
zijzullen portelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geporteld hebben
jijzult geporteld hebben
hijzal geporteld hebben
wijzullen geporteld hebben
julliezullen geporteld hebben
zijzullen geporteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou portelen
jijzou portelen
hijzou portelen
wijzouden portelen
julliezouden portelen
zijzouden portelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geporteld hebben
jijzou geporteld hebben
hijzou geporteld hebben
wijzouden geporteld hebben
julliezouden geporteld hebben
zijzouden geporteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijportel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information