dartelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dartelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dartelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dartelend
Past participle - Verleden deelwoord: gedarteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdartel
jijdartelt
hijdartelt
wijdartelen
julliedartelen
zijdartelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedarteld
jijhebt gedarteld
hijheeft gedarteld
wijhebben gedarteld
julliehebben gedarteld
zijhebben gedarteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdartelde
jijdartelde
hijdartelde
wijdartelden
julliedartelden
zijdartelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedarteld
jijhad gedarteld
hijhad gedarteld
wijhadden gedarteld
julliehadden gedarteld
zijhadden gedarteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dartelen
jijzult dartelen
hijzal dartelen
wijzullen dartelen
julliezullen dartelen
zijzullen dartelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedarteld hebben
jijzult gedarteld hebben
hijzal gedarteld hebben
wijzullen gedarteld hebben
julliezullen gedarteld hebben
zijzullen gedarteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dartelen
jijzou dartelen
hijzou dartelen
wijzouden dartelen
julliezouden dartelen
zijzouden dartelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedarteld hebben
jijzou gedarteld hebben
hijzou gedarteld hebben
wijzouden gedarteld hebben
julliezouden gedarteld hebben
zijzouden gedarteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdartel

Translations

  • cavort, move/play boisterously
  • frolic, behave playfully and uninhibitedly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    huppelen
    rollebollen, rondfladderen, springen

    Sample Sentences

    Etymology

    From dartel + -en.

    Additional Information