warmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of warmen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: warmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: warmend
Past participle - Verleden deelwoord: gewarmd

Cognates

See the 3 cognates of warmen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwarm
jijwarmt
hijwarmt
wijwarmen
julliewarmen
zijwarmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewarmd
jijhebt gewarmd
hijheeft gewarmd
wijhebben gewarmd
julliehebben gewarmd
zijhebben gewarmd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwarmde
jijwarmde
hijwarmde
wijwarmden
julliewarmden
zijwarmden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewarmd
jijhad gewarmd
hijhad gewarmd
wijhadden gewarmd
julliehadden gewarmd
zijhadden gewarmd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal warmen
jijzult warmen
hijzal warmen
wijzullen warmen
julliezullen warmen
zijzullen warmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewarmd hebben
jijzult gewarmd hebben
hijzal gewarmd hebben
wijzullen gewarmd hebben
julliezullen gewarmd hebben
zijzullen gewarmd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou warmen
jijzou warmen
hijzou warmen
wijzouden warmen
julliezouden warmen
zijzouden warmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewarmd hebben
jijzou gewarmd hebben
hijzou gewarmd hebben
wijzouden gewarmd hebben
julliezouden gewarmd hebben
zijzouden gewarmd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwarm

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden medegebragt. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch warmen. Equivalent to warm (“warm”) + -en.

Verbs referencing "warmen"

English warm.

Additional Information