voorvoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorvoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorvoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorvoelend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgevoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoel voor
jijvoelt voor
hijvoelt voor
wijvoelen voor
jullievoelen voor
zijvoelen voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgevoeld
jijhebt voorgevoeld
hijheeft voorgevoeld
wijhebben voorgevoeld
julliehebben voorgevoeld
zijhebben voorgevoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoelde voor
jijvoelde voor
hijvoelde voor
wijvoelden voor
jullievoelden voor
zijvoelden voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgevoeld
jijhad voorgevoeld
hijhad voorgevoeld
wijhadden voorgevoeld
julliehadden voorgevoeld
zijhadden voorgevoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorvoelen
jijzult voorvoelen
hijzal voorvoelen
wijzullen voorvoelen
julliezullen voorvoelen
zijzullen voorvoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgevoeld hebben
jijzult voorgevoeld hebben
hijzal voorgevoeld hebben
wijzullen voorgevoeld hebben
julliezullen voorgevoeld hebben
zijzullen voorgevoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorvoelen
jijzou voorvoelen
hijzou voorvoelen
wijzouden voorvoelen
julliezouden voorvoelen
zijzouden voorvoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgevoeld hebben
jijzou voorgevoeld hebben
hijzou voorgevoeld hebben
wijzouden voorgevoeld hebben
julliezouden voorgevoeld hebben
zijzouden voorgevoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoel voor

Translations

  • presage, to have a presentiment of
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From voor- + voelen.

    Additional Information