verwijlen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verwijlen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verwijlen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verwijlend
Past participle - Verleden deelwoord: verwijld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverwijl
jijverwijlt
hijverwijlt
wijverwijlen
jullieverwijlen
zijverwijlen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verwijld
jijhebt verwijld
hijheeft verwijld
wijhebben verwijld
julliehebben verwijld
zijhebben verwijld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverwijlde
jijverwijlde
hijverwijlde
wijverwijlden
jullieverwijlden
zijverwijlden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verwijld
jijhad verwijld
hijhad verwijld
wijhadden verwijld
julliehadden verwijld
zijhadden verwijld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verwijlen
jijzult verwijlen
hijzal verwijlen
wijzullen verwijlen
julliezullen verwijlen
zijzullen verwijlen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verwijld hebben
jijzult verwijld hebben
hijzal verwijld hebben
wijzullen verwijld hebben
julliezullen verwijld hebben
zijzullen verwijld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verwijlen
jijzou verwijlen
hijzou verwijlen
wijzouden verwijlen
julliezouden verwijlen
zijzouden verwijlen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verwijld hebben
jijzou verwijld hebben
hijzou verwijld hebben
wijzouden verwijld hebben
julliezouden verwijld hebben
zijzouden verwijld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverwijl

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German verweilen. See: German, old spelling 'verweilen'.

Additional Information