versificeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of versificeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: versificeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: versificerend
Past participle - Verleden deelwoord: geversificeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikversificeer
jijversificeert
hijversificeert
wijversificeren
jullieversificeren
zijversificeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geversificeerd
jijhebt geversificeerd
hijheeft geversificeerd
wijhebben geversificeerd
julliehebben geversificeerd
zijhebben geversificeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikversificeerde
jijversificeerde
hijversificeerde
wijversificeerden
jullieversificeerden
zijversificeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geversificeerd
jijhad geversificeerd
hijhad geversificeerd
wijhadden geversificeerd
julliehadden geversificeerd
zijhadden geversificeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal versificeren
jijzult versificeren
hijzal versificeren
wijzullen versificeren
julliezullen versificeren
zijzullen versificeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geversificeerd hebben
jijzult geversificeerd hebben
hijzal geversificeerd hebben
wijzullen geversificeerd hebben
julliezullen geversificeerd hebben
zijzullen geversificeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou versificeren
jijzou versificeren
hijzou versificeren
wijzouden versificeren
julliezouden versificeren
zijzouden versificeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geversificeerd hebben
jijzou geversificeerd hebben
hijzou geversificeerd hebben
wijzouden geversificeerd hebben
julliezouden geversificeerd hebben
zijzouden geversificeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijversificeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information