falsificeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of falsificeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: falsificeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: falsificerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefalsificeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfalsificeer
jijfalsificeert
hijfalsificeert
wijfalsificeren
julliefalsificeren
zijfalsificeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefalsificeerd
jijhebt gefalsificeerd
hijheeft gefalsificeerd
wijhebben gefalsificeerd
julliehebben gefalsificeerd
zijhebben gefalsificeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfalsificeerde
jijfalsificeerde
hijfalsificeerde
wijfalsificeerden
julliefalsificeerden
zijfalsificeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefalsificeerd
jijhad gefalsificeerd
hijhad gefalsificeerd
wijhadden gefalsificeerd
julliehadden gefalsificeerd
zijhadden gefalsificeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal falsificeren
jijzult falsificeren
hijzal falsificeren
wijzullen falsificeren
julliezullen falsificeren
zijzullen falsificeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefalsificeerd hebben
jijzult gefalsificeerd hebben
hijzal gefalsificeerd hebben
wijzullen gefalsificeerd hebben
julliezullen gefalsificeerd hebben
zijzullen gefalsificeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou falsificeren
jijzou falsificeren
hijzou falsificeren
wijzouden falsificeren
julliezouden falsificeren
zijzouden falsificeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefalsificeerd hebben
jijzou gefalsificeerd hebben
hijzou gefalsificeerd hebben
wijzouden gefalsificeerd hebben
julliezouden gefalsificeerd hebben
zijzouden gefalsificeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfalsificeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

19th century. Late Latin falsificāre.

Additional Information