verkoperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkoperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkoperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkoperend
Past participle - Verleden deelwoord: verkoperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkoper
jijverkopert
hijverkopert
wijverkoperen
jullieverkoperen
zijverkoperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkoperd
jijhebt verkoperd
hijheeft verkoperd
wijhebben verkoperd
julliehebben verkoperd
zijhebben verkoperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkoperde
jijverkoperde
hijverkoperde
wijverkoperden
jullieverkoperden
zijverkoperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkoperd
jijhad verkoperd
hijhad verkoperd
wijhadden verkoperd
julliehadden verkoperd
zijhadden verkoperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkoperen
jijzult verkoperen
hijzal verkoperen
wijzullen verkoperen
julliezullen verkoperen
zijzullen verkoperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkoperd hebben
jijzult verkoperd hebben
hijzal verkoperd hebben
wijzullen verkoperd hebben
julliezullen verkoperd hebben
zijzullen verkoperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkoperen
jijzou verkoperen
hijzou verkoperen
wijzouden verkoperen
julliezouden verkoperen
zijzouden verkoperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkoperd hebben
jijzou verkoperd hebben
hijzou verkoperd hebben
wijzouden verkoperd hebben
julliezouden verkoperd hebben
zijzouden verkoperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkoper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From koper (“copper”) + ver- -en.

Additional Information