vergrendelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vergrendelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vergrendelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vergrendelend
Past participle - Verleden deelwoord: vergrendeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvergrendel
jijvergrendelt
hijvergrendelt
wijvergrendelen
jullievergrendelen
zijvergrendelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vergrendeld
jijhebt vergrendeld
hijheeft vergrendeld
wijhebben vergrendeld
julliehebben vergrendeld
zijhebben vergrendeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvergrendelde
jijvergrendelde
hijvergrendelde
wijvergrendelden
jullievergrendelden
zijvergrendelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vergrendeld
jijhad vergrendeld
hijhad vergrendeld
wijhadden vergrendeld
julliehadden vergrendeld
zijhadden vergrendeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vergrendelen
jijzult vergrendelen
hijzal vergrendelen
wijzullen vergrendelen
julliezullen vergrendelen
zijzullen vergrendelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vergrendeld hebben
jijzult vergrendeld hebben
hijzal vergrendeld hebben
wijzullen vergrendeld hebben
julliezullen vergrendeld hebben
zijzullen vergrendeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vergrendelen
jijzou vergrendelen
hijzou vergrendelen
wijzouden vergrendelen
julliezouden vergrendelen
zijzouden vergrendelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vergrendeld hebben
jijzou vergrendeld hebben
hijzou vergrendeld hebben
wijzouden vergrendeld hebben
julliezouden vergrendeld hebben
zijzouden vergrendeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvergrendel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From grendel + ver- -en, or ver- + grendelen.

Additional Information