tunnelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tunnelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tunnelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tunnelend
Past participle - Verleden deelwoord: getunneld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktunnel
jijtunnelt
hijtunnelt
wijtunnelen
jullietunnelen
zijtunnelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getunneld
jijhebt getunneld
hijheeft getunneld
wijhebben getunneld
julliehebben getunneld
zijhebben getunneld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktunnelde
jijtunnelde
hijtunnelde
wijtunnelden
jullietunnelden
zijtunnelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getunneld
jijhad getunneld
hijhad getunneld
wijhadden getunneld
julliehadden getunneld
zijhadden getunneld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tunnelen
jijzult tunnelen
hijzal tunnelen
wijzullen tunnelen
julliezullen tunnelen
zijzullen tunnelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getunneld hebben
jijzult getunneld hebben
hijzal getunneld hebben
wijzullen getunneld hebben
julliezullen getunneld hebben
zijzullen getunneld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tunnelen
jijzou tunnelen
hijzou tunnelen
wijzouden tunnelen
julliezouden tunnelen
zijzouden tunnelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getunneld hebben
jijzou getunneld hebben
hijzou getunneld hebben
wijzouden getunneld hebben
julliezouden getunneld hebben
zijzouden getunneld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtunnel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information