tingelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tingelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tingelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tingelend
Past participle - Verleden deelwoord: getingeld

Cognates

See the 2 cognates of tingelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktingel
jijtingelt
hijtingelt
wijtingelen
jullietingelen
zijtingelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getingeld
jijhebt getingeld
hijheeft getingeld
wijhebben getingeld
julliehebben getingeld
zijhebben getingeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktingelde
jijtingelde
hijtingelde
wijtingelden
jullietingelden
zijtingelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getingeld
jijhad getingeld
hijhad getingeld
wijhadden getingeld
julliehadden getingeld
zijhadden getingeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tingelen
jijzult tingelen
hijzal tingelen
wijzullen tingelen
julliezullen tingelen
zijzullen tingelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getingeld hebben
jijzult getingeld hebben
hijzal getingeld hebben
wijzullen getingeld hebben
julliezullen getingeld hebben
zijzullen getingeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tingelen
jijzou tingelen
hijzou tingelen
wijzouden tingelen
julliezouden tingelen
zijzouden tingelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getingeld hebben
jijzou getingeld hebben
hijzou getingeld hebben
wijzouden getingeld hebben
julliezouden getingeld hebben
zijzouden getingeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtingel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "tingelen"

English tingle.

Additional Information