trufferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trufferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trufferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trufferend
Past participle - Verleden deelwoord: getruffeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktruffeer
jijtruffeert
hijtruffeert
wijtrufferen
jullietrufferen
zijtrufferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getruffeerd
jijhebt getruffeerd
hijheeft getruffeerd
wijhebben getruffeerd
julliehebben getruffeerd
zijhebben getruffeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktruffeerde
jijtruffeerde
hijtruffeerde
wijtruffeerden
jullietruffeerden
zijtruffeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getruffeerd
jijhad getruffeerd
hijhad getruffeerd
wijhadden getruffeerd
julliehadden getruffeerd
zijhadden getruffeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trufferen
jijzult trufferen
hijzal trufferen
wijzullen trufferen
julliezullen trufferen
zijzullen trufferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getruffeerd hebben
jijzult getruffeerd hebben
hijzal getruffeerd hebben
wijzullen getruffeerd hebben
julliezullen getruffeerd hebben
zijzullen getruffeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trufferen
jijzou trufferen
hijzou trufferen
wijzouden trufferen
julliezouden trufferen
zijzouden trufferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getruffeerd hebben
jijzou getruffeerd hebben
hijzou getruffeerd hebben
wijzouden getruffeerd hebben
julliezouden getruffeerd hebben
zijzouden getruffeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtruffeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information