trippelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trippelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trippelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trippelend
Past participle - Verleden deelwoord: getrippeld

Cognates

See the 6 cognates of trippelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrippel
jijtrippelt
hijtrippelt
wijtrippelen
jullietrippelen
zijtrippelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrippeld
jijhebt getrippeld
hijheeft getrippeld
wijhebben getrippeld
julliehebben getrippeld
zijhebben getrippeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrippelde
jijtrippelde
hijtrippelde
wijtrippelden
jullietrippelden
zijtrippelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrippeld
jijhad getrippeld
hijhad getrippeld
wijhadden getrippeld
julliehadden getrippeld
zijhadden getrippeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trippelen
jijzult trippelen
hijzal trippelen
wijzullen trippelen
julliezullen trippelen
zijzullen trippelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrippeld hebben
jijzult getrippeld hebben
hijzal getrippeld hebben
wijzullen getrippeld hebben
julliezullen getrippeld hebben
zijzullen getrippeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trippelen
jijzou trippelen
hijzou trippelen
wijzouden trippelen
julliezouden trippelen
zijzouden trippelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrippeld hebben
jijzou getrippeld hebben
hijzou getrippeld hebben
wijzouden getrippeld hebben
julliezouden getrippeld hebben
zijzouden getrippeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrippel

Translations

  • pussyfoot, to move silently
  • steal, to move silently
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "trippelen"

    English trip, Luxembourgish trëppelen.

    Additional Information