rimpelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rimpelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rimpelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rimpelend
Past participle - Verleden deelwoord: gerimpeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrimpel
jijrimpelt
hijrimpelt
wijrimpelen
jullierimpelen
zijrimpelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerimpeld
jijhebt gerimpeld
hijheeft gerimpeld
wijhebben gerimpeld
julliehebben gerimpeld
zijhebben gerimpeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrimpelde
jijrimpelde
hijrimpelde
wijrimpelden
jullierimpelden
zijrimpelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerimpeld
jijhad gerimpeld
hijhad gerimpeld
wijhadden gerimpeld
julliehadden gerimpeld
zijhadden gerimpeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rimpelen
jijzult rimpelen
hijzal rimpelen
wijzullen rimpelen
julliezullen rimpelen
zijzullen rimpelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerimpeld hebben
jijzult gerimpeld hebben
hijzal gerimpeld hebben
wijzullen gerimpeld hebben
julliezullen gerimpeld hebben
zijzullen gerimpeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rimpelen
jijzou rimpelen
hijzou rimpelen
wijzouden rimpelen
julliezouden rimpelen
zijzouden rimpelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerimpeld hebben
jijzou gerimpeld hebben
hijzou gerimpeld hebben
wijzouden gerimpeld hebben
julliezouden gerimpeld hebben
zijzouden gerimpeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrimpel

Translations

  • corrugate, ''(of the skin)'' to wrinkle
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information