traceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of traceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: traceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tracerend
Past participle - Verleden deelwoord: getraceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktraceer
jijtraceert
hijtraceert
wijtraceren
jullietraceren
zijtraceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getraceerd
jijhebt getraceerd
hijheeft getraceerd
wijhebben getraceerd
julliehebben getraceerd
zijhebben getraceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktraceerde
jijtraceerde
hijtraceerde
wijtraceerden
jullietraceerden
zijtraceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getraceerd
jijhad getraceerd
hijhad getraceerd
wijhadden getraceerd
julliehadden getraceerd
zijhadden getraceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal traceren
jijzult traceren
hijzal traceren
wijzullen traceren
julliezullen traceren
zijzullen traceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getraceerd hebben
jijzult getraceerd hebben
hijzal getraceerd hebben
wijzullen getraceerd hebben
julliezullen getraceerd hebben
zijzullen getraceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou traceren
jijzou traceren
hijzou traceren
wijzouden traceren
julliezouden traceren
zijzouden traceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getraceerd hebben
jijzou getraceerd hebben
hijzou getraceerd hebben
wijzouden getraceerd hebben
julliezouden getraceerd hebben
zijzouden getraceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtraceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French tracer. See: French 'tracer'.

Additional Information