draperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of draperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: draperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: draperend
Past participle - Verleden deelwoord: gedrapeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdrapeer
jijdrapeert
hijdrapeert
wijdraperen
julliedraperen
zijdraperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedrapeerd
jijhebt gedrapeerd
hijheeft gedrapeerd
wijhebben gedrapeerd
julliehebben gedrapeerd
zijhebben gedrapeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdrapeerde
jijdrapeerde
hijdrapeerde
wijdrapeerden
julliedrapeerden
zijdrapeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedrapeerd
jijhad gedrapeerd
hijhad gedrapeerd
wijhadden gedrapeerd
julliehadden gedrapeerd
zijhadden gedrapeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal draperen
jijzult draperen
hijzal draperen
wijzullen draperen
julliezullen draperen
zijzullen draperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedrapeerd hebben
jijzult gedrapeerd hebben
hijzal gedrapeerd hebben
wijzullen gedrapeerd hebben
julliezullen gedrapeerd hebben
zijzullen gedrapeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou draperen
jijzou draperen
hijzou draperen
wijzouden draperen
julliezouden draperen
zijzouden draperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedrapeerd hebben
jijzou gedrapeerd hebben
hijzou gedrapeerd hebben
wijzouden gedrapeerd hebben
julliezouden gedrapeerd hebben
zijzouden gedrapeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdrapeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French draper, from Middle French draper, from Old French draper. See: French 'draper'.

Additional Information