graderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of graderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: graderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: graderend
Past participle - Verleden deelwoord: gegradeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgradeer
jijgradeert
hijgradeert
wijgraderen
julliegraderen
zijgraderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegradeerd
jijhebt gegradeerd
hijheeft gegradeerd
wijhebben gegradeerd
julliehebben gegradeerd
zijhebben gegradeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgradeerde
jijgradeerde
hijgradeerde
wijgradeerden
julliegradeerden
zijgradeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegradeerd
jijhad gegradeerd
hijhad gegradeerd
wijhadden gegradeerd
julliehadden gegradeerd
zijhadden gegradeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal graderen
jijzult graderen
hijzal graderen
wijzullen graderen
julliezullen graderen
zijzullen graderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegradeerd hebben
jijzult gegradeerd hebben
hijzal gegradeerd hebben
wijzullen gegradeerd hebben
julliezullen gegradeerd hebben
zijzullen gegradeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou graderen
jijzou graderen
hijzou graderen
wijzouden graderen
julliezouden graderen
zijzouden graderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegradeerd hebben
jijzou gegradeerd hebben
hijzou gegradeerd hebben
wijzouden gegradeerd hebben
julliezouden gegradeerd hebben
zijzouden gegradeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgradeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information