spartelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spartelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spartelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spartelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesparteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspartel
jijspartelt
hijspartelt
wijspartelen
julliespartelen
zijspartelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesparteld
jijhebt gesparteld
hijheeft gesparteld
wijhebben gesparteld
julliehebben gesparteld
zijhebben gesparteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspartelde
jijspartelde
hijspartelde
wijspartelden
julliespartelden
zijspartelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesparteld
jijhad gesparteld
hijhad gesparteld
wijhadden gesparteld
julliehadden gesparteld
zijhadden gesparteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spartelen
jijzult spartelen
hijzal spartelen
wijzullen spartelen
julliezullen spartelen
zijzullen spartelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesparteld hebben
jijzult gesparteld hebben
hijzal gesparteld hebben
wijzullen gesparteld hebben
julliezullen gesparteld hebben
zijzullen gesparteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spartelen
jijzou spartelen
hijzou spartelen
wijzouden spartelen
julliezouden spartelen
zijzouden spartelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesparteld hebben
jijzou gesparteld hebben
hijzou gesparteld hebben
wijzouden gesparteld hebben
julliezouden gesparteld hebben
zijzouden gesparteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspartel

Translations

  • flounder, to flop around
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch spartelen. Compare Old High German spratalon.

    Additional Information