skelteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of skelteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: skelteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: skelterend
Past participle - Verleden deelwoord: geskelterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikskelter
jijskeltert
hijskeltert
wijskelteren
jullieskelteren
zijskelteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geskelterd
jijhebt geskelterd
hijheeft geskelterd
wijhebben geskelterd
julliehebben geskelterd
zijhebben geskelterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikskelterde
jijskelterde
hijskelterde
wijskelterden
jullieskelterden
zijskelterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geskelterd
jijhad geskelterd
hijhad geskelterd
wijhadden geskelterd
julliehadden geskelterd
zijhadden geskelterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal skelteren
jijzult skelteren
hijzal skelteren
wijzullen skelteren
julliezullen skelteren
zijzullen skelteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geskelterd hebben
jijzult geskelterd hebben
hijzal geskelterd hebben
wijzullen geskelterd hebben
julliezullen geskelterd hebben
zijzullen geskelterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou skelteren
jijzou skelteren
hijzou skelteren
wijzouden skelteren
julliezouden skelteren
zijzouden skelteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geskelterd hebben
jijzou geskelterd hebben
hijzou geskelterd hebben
wijzouden geskelterd hebben
julliezouden geskelterd hebben
zijzouden geskelterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijskelter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information