serveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of serveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: serveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: serverend
Past participle - Verleden deelwoord: geserveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikserveer
jijserveert
hijserveert
wijserveren
jullieserveren
zijserveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geserveerd
jijhebt geserveerd
hijheeft geserveerd
wijhebben geserveerd
julliehebben geserveerd
zijhebben geserveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikserveerde
jijserveerde
hijserveerde
wijserveerden
jullieserveerden
zijserveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geserveerd
jijhad geserveerd
hijhad geserveerd
wijhadden geserveerd
julliehadden geserveerd
zijhadden geserveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal serveren
jijzult serveren
hijzal serveren
wijzullen serveren
julliezullen serveren
zijzullen serveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geserveerd hebben
jijzult geserveerd hebben
hijzal geserveerd hebben
wijzullen geserveerd hebben
julliezullen geserveerd hebben
zijzullen geserveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou serveren
jijzou serveren
hijzou serveren
wijzouden serveren
julliezouden serveren
zijzouden serveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geserveerd hebben
jijzou geserveerd hebben
hijzou geserveerd hebben
wijzouden geserveerd hebben
julliezouden geserveerd hebben
zijzouden geserveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijserveer

Translations

  • serve, to attend, supply the wants of
  • serve, to bring food to
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opdienen
    schenken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Latin servire. See: Latin 'servire'.

    Additional Information