savoureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of savoureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: savoureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: savourerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesavoureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksavoureer
jijsavoureert
hijsavoureert
wijsavoureren
julliesavoureren
zijsavoureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesavoureerd
jijhebt gesavoureerd
hijheeft gesavoureerd
wijhebben gesavoureerd
julliehebben gesavoureerd
zijhebben gesavoureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksavoureerde
jijsavoureerde
hijsavoureerde
wijsavoureerden
julliesavoureerden
zijsavoureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesavoureerd
jijhad gesavoureerd
hijhad gesavoureerd
wijhadden gesavoureerd
julliehadden gesavoureerd
zijhadden gesavoureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal savoureren
jijzult savoureren
hijzal savoureren
wijzullen savoureren
julliezullen savoureren
zijzullen savoureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesavoureerd hebben
jijzult gesavoureerd hebben
hijzal gesavoureerd hebben
wijzullen gesavoureerd hebben
julliezullen gesavoureerd hebben
zijzullen gesavoureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou savoureren
jijzou savoureren
hijzou savoureren
wijzouden savoureren
julliezouden savoureren
zijzouden savoureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesavoureerd hebben
jijzou gesavoureerd hebben
hijzou gesavoureerd hebben
wijzouden gesavoureerd hebben
julliezouden gesavoureerd hebben
zijzouden gesavoureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsavoureer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information