sacreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sacreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sacreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sacrerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesacreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksacreer
jijsacreert
hijsacreert
wijsacreren
julliesacreren
zijsacreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesacreerd
jijhebt gesacreerd
hijheeft gesacreerd
wijhebben gesacreerd
julliehebben gesacreerd
zijhebben gesacreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksacreerde
jijsacreerde
hijsacreerde
wijsacreerden
julliesacreerden
zijsacreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesacreerd
jijhad gesacreerd
hijhad gesacreerd
wijhadden gesacreerd
julliehadden gesacreerd
zijhadden gesacreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sacreren
jijzult sacreren
hijzal sacreren
wijzullen sacreren
julliezullen sacreren
zijzullen sacreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesacreerd hebben
jijzult gesacreerd hebben
hijzal gesacreerd hebben
wijzullen gesacreerd hebben
julliezullen gesacreerd hebben
zijzullen gesacreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sacreren
jijzou sacreren
hijzou sacreren
wijzouden sacreren
julliezouden sacreren
zijzouden sacreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesacreerd hebben
jijzou gesacreerd hebben
hijzou gesacreerd hebben
wijzouden gesacreerd hebben
julliezouden gesacreerd hebben
zijzouden gesacreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsacreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information