laboreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of laboreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: laboreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: laborerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelaboreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklaboreer
jijlaboreert
hijlaboreert
wijlaboreren
jullielaboreren
zijlaboreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelaboreerd
jijhebt gelaboreerd
hijheeft gelaboreerd
wijhebben gelaboreerd
julliehebben gelaboreerd
zijhebben gelaboreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklaboreerde
jijlaboreerde
hijlaboreerde
wijlaboreerden
jullielaboreerden
zijlaboreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelaboreerd
jijhad gelaboreerd
hijhad gelaboreerd
wijhadden gelaboreerd
julliehadden gelaboreerd
zijhadden gelaboreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal laboreren
jijzult laboreren
hijzal laboreren
wijzullen laboreren
julliezullen laboreren
zijzullen laboreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelaboreerd hebben
jijzult gelaboreerd hebben
hijzal gelaboreerd hebben
wijzullen gelaboreerd hebben
julliezullen gelaboreerd hebben
zijzullen gelaboreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou laboreren
jijzou laboreren
hijzou laboreren
wijzouden laboreren
julliezouden laboreren
zijzouden laboreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelaboreerd hebben
jijzou gelaboreerd hebben
hijzou gelaboreerd hebben
wijzouden gelaboreerd hebben
julliezouden gelaboreerd hebben
zijzouden gelaboreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlaboreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information