salderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of salderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: salderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: salderend
Past participle - Verleden deelwoord: gesaldeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksaldeer
jijsaldeert
hijsaldeert
wijsalderen
julliesalderen
zijsalderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesaldeerd
jijhebt gesaldeerd
hijheeft gesaldeerd
wijhebben gesaldeerd
julliehebben gesaldeerd
zijhebben gesaldeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksaldeerde
jijsaldeerde
hijsaldeerde
wijsaldeerden
julliesaldeerden
zijsaldeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesaldeerd
jijhad gesaldeerd
hijhad gesaldeerd
wijhadden gesaldeerd
julliehadden gesaldeerd
zijhadden gesaldeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal salderen
jijzult salderen
hijzal salderen
wijzullen salderen
julliezullen salderen
zijzullen salderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesaldeerd hebben
jijzult gesaldeerd hebben
hijzal gesaldeerd hebben
wijzullen gesaldeerd hebben
julliezullen gesaldeerd hebben
zijzullen gesaldeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou salderen
jijzou salderen
hijzou salderen
wijzouden salderen
julliezouden salderen
zijzouden salderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesaldeerd hebben
jijzou gesaldeerd hebben
hijzou gesaldeerd hebben
wijzouden gesaldeerd hebben
julliezouden gesaldeerd hebben
zijzouden gesaldeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsaldeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Je kunt met salderen je zonnepanelen terugverdienen. (You can recover the costs of solar panels by net metering.)

Etymology

From saldo + -eren.

Additional Information