rijpen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rijpen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rijpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rijpend
Past participle - Verleden deelwoord: gerijpt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrijp
jijrijpt
hijrijpt
wijrijpen
jullierijpen
zijrijpen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben gerijpt
jijbent gerijpt
hijis gerijpt
wijzijn gerijpt
julliezijn gerijpt
zijzijn gerijpt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrijpte
jijrijpte
hijrijpte
wijrijpten
jullierijpten
zijrijpten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas gerijpt
jijwas gerijpt
hijwas gerijpt
wijwaren gerijpt
julliewaren gerijpt
zijwaren gerijpt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rijpen
jijzult rijpen
hijzal rijpen
wijzullen rijpen
julliezullen rijpen
zijzullen rijpen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerijpt zijn
jijzult gerijpt zijn
hijzal gerijpt zijn
wijzullen gerijpt zijn
julliezullen gerijpt zijn
zijzullen gerijpt zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rijpen
jijzou rijpen
hijzou rijpen
wijzouden rijpen
julliezouden rijpen
zijzouden rijpen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerijpt zijn
jijzou gerijpt zijn
hijzou gerijpt zijn
wijzouden gerijpt zijn
julliezouden gerijpt zijn
zijzouden gerijpt zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijrijp

Translations

  • ripe, to ripen or mature
  • ripen, to grow ripe
  • season, to become mature
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch ripen, from Old Dutch *rīpon, from Proto-West Germanic *rīpēn. By surface analysis, rijp (“ripe”) + -en. See: Old Dutch '*rīpon'.

    Additional Information