relativeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of relativeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: relativeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: relativerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerelativeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrelativeer
jijrelativeert
hijrelativeert
wijrelativeren
jullierelativeren
zijrelativeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerelativeerd
jijhebt gerelativeerd
hijheeft gerelativeerd
wijhebben gerelativeerd
julliehebben gerelativeerd
zijhebben gerelativeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrelativeerde
jijrelativeerde
hijrelativeerde
wijrelativeerden
jullierelativeerden
zijrelativeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerelativeerd
jijhad gerelativeerd
hijhad gerelativeerd
wijhadden gerelativeerd
julliehadden gerelativeerd
zijhadden gerelativeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal relativeren
jijzult relativeren
hijzal relativeren
wijzullen relativeren
julliezullen relativeren
zijzullen relativeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerelativeerd hebben
jijzult gerelativeerd hebben
hijzal gerelativeerd hebben
wijzullen gerelativeerd hebben
julliezullen gerelativeerd hebben
zijzullen gerelativeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou relativeren
jijzou relativeren
hijzou relativeren
wijzouden relativeren
julliezouden relativeren
zijzouden relativeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerelativeerd hebben
jijzou gerelativeerd hebben
hijzou gerelativeerd hebben
wijzouden gerelativeerd hebben
julliezouden gerelativeerd hebben
zijzouden gerelativeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrelativeer

Translations

  • relativize, to make relative to
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From relatief + -eren.

    Additional Information