trachten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trachten

The word "trachten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trachten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trachtend
Past participle - Verleden deelwoord: getracht

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktracht
jijtracht
hijtracht
wijtrachten
jullietrachten
zijtrachten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getracht
jijhebt getracht
hijheeft getracht
wijhebben getracht
julliehebben getracht
zijhebben getracht

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrachtte
jijtrachtte
hijtrachtte
wijtrachtten
jullietrachtten
zijtrachtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getracht
jijhad getracht
hijhad getracht
wijhadden getracht
julliehadden getracht
zijhadden getracht

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trachten
jijzult trachten
hijzal trachten
wijzullen trachten
julliezullen trachten
zijzullen trachten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getracht hebben
jijzult getracht hebben
hijzal getracht hebben
wijzullen getracht hebben
julliezullen getracht hebben
zijzullen getracht hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trachten
jijzou trachten
hijzou trachten
wijzouden trachten
julliezouden trachten
zijzouden trachten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getracht hebben
jijzou getracht hebben
hijzou getracht hebben
wijzouden getracht hebben
julliezouden getracht hebben
zijzouden getracht hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtracht

Verbs similar to 'trachten'

Translations

  • try, to attempt
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Zij trachtten het gebouw te evacueren voordat de brand zich verspreidde. (They tried to evacuate the building before the fire spread.)
    • We trachten het verlies te verminderen door kosten te besparen. (We attempt to reduce the loss by saving costs.)
    • Hij trachtte een verkiezingsnederlaag te voorkomen. (He tried to prevent an electoral defeat.)

    Etymology

    From Middle Dutch trachten, from Old Dutch *trahton, from Proto-West Germanic *trahtōn, from Latin tractō. Doublet of trakteren. See: Old Dutch '*trahton', Latin 'tractō'.

    Additional Information