priegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of priegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: priegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: priegelend
Past participle - Verleden deelwoord: gepriegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpriegel
jijpriegelt
hijpriegelt
wijpriegelen
julliepriegelen
zijpriegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepriegeld
jijhebt gepriegeld
hijheeft gepriegeld
wijhebben gepriegeld
julliehebben gepriegeld
zijhebben gepriegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpriegelde
jijpriegelde
hijpriegelde
wijpriegelden
julliepriegelden
zijpriegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepriegeld
jijhad gepriegeld
hijhad gepriegeld
wijhadden gepriegeld
julliehadden gepriegeld
zijhadden gepriegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal priegelen
jijzult priegelen
hijzal priegelen
wijzullen priegelen
julliezullen priegelen
zijzullen priegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepriegeld hebben
jijzult gepriegeld hebben
hijzal gepriegeld hebben
wijzullen gepriegeld hebben
julliezullen gepriegeld hebben
zijzullen gepriegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou priegelen
jijzou priegelen
hijzou priegelen
wijzouden priegelen
julliezouden priegelen
zijzouden priegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepriegeld hebben
jijzou gepriegeld hebben
hijzou gepriegeld hebben
wijzouden gepriegeld hebben
julliezouden gepriegeld hebben
zijzouden gepriegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpriegel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information