posteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of posteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: posteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: posterend
Past participle - Verleden deelwoord: geposteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikposteer
jijposteert
hijposteert
wijposteren
jullieposteren
zijposteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geposteerd
jijhebt geposteerd
hijheeft geposteerd
wijhebben geposteerd
julliehebben geposteerd
zijhebben geposteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikposteerde
jijposteerde
hijposteerde
wijposteerden
jullieposteerden
zijposteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geposteerd
jijhad geposteerd
hijhad geposteerd
wijhadden geposteerd
julliehadden geposteerd
zijhadden geposteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal posteren
jijzult posteren
hijzal posteren
wijzullen posteren
julliezullen posteren
zijzullen posteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geposteerd hebben
jijzult geposteerd hebben
hijzal geposteerd hebben
wijzullen geposteerd hebben
julliezullen geposteerd hebben
zijzullen geposteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou posteren
jijzou posteren
hijzou posteren
wijzouden posteren
julliezouden posteren
zijzouden posteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geposteerd hebben
jijzou geposteerd hebben
hijzou geposteerd hebben
wijzouden geposteerd hebben
julliezouden geposteerd hebben
zijzouden geposteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijposteer

Translations

  • station, put in place to perform a task
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information