doteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of doteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: doteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoteer
jijdoteert
hijdoteert
wijdoteren
julliedoteren
zijdoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoteerd
jijhebt gedoteerd
hijheeft gedoteerd
wijhebben gedoteerd
julliehebben gedoteerd
zijhebben gedoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoteerde
jijdoteerde
hijdoteerde
wijdoteerden
julliedoteerden
zijdoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoteerd
jijhad gedoteerd
hijhad gedoteerd
wijhadden gedoteerd
julliehadden gedoteerd
zijhadden gedoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal doteren
jijzult doteren
hijzal doteren
wijzullen doteren
julliezullen doteren
zijzullen doteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoteerd hebben
jijzult gedoteerd hebben
hijzal gedoteerd hebben
wijzullen gedoteerd hebben
julliezullen gedoteerd hebben
zijzullen gedoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou doteren
jijzou doteren
hijzou doteren
wijzouden doteren
julliezouden doteren
zijzouden doteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoteerd hebben
jijzou gedoteerd hebben
hijzou gedoteerd hebben
wijzouden gedoteerd hebben
julliezouden gedoteerd hebben
zijzouden gedoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoteer

Translations

  • dope, electronics: add a dopant to
  • endow, to give property to (someone) as a gift; to provide with support in the form of a permanent fund of money or other benefits
  • endow, to enrich or furnish with some faculty or quality
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information