overwoekeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overwoekeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overwoekeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overwoekerend
Past participle - Verleden deelwoord: overwoekerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoverwoeker
jijoverwoekert
hijoverwoekert
wijoverwoekeren
jullieoverwoekeren
zijoverwoekeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overwoekerd
jijhebt overwoekerd
hijheeft overwoekerd
wijhebben overwoekerd
julliehebben overwoekerd
zijhebben overwoekerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoverwoekerde
jijoverwoekerde
hijoverwoekerde
wijoverwoekerden
jullieoverwoekerden
zijoverwoekerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overwoekerd
jijhad overwoekerd
hijhad overwoekerd
wijhadden overwoekerd
julliehadden overwoekerd
zijhadden overwoekerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overwoekeren
jijzult overwoekeren
hijzal overwoekeren
wijzullen overwoekeren
julliezullen overwoekeren
zijzullen overwoekeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overwoekerd hebben
jijzult overwoekerd hebben
hijzal overwoekerd hebben
wijzullen overwoekerd hebben
julliezullen overwoekerd hebben
zijzullen overwoekerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overwoekeren
jijzou overwoekeren
hijzou overwoekeren
wijzouden overwoekeren
julliezouden overwoekeren
zijzouden overwoekeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overwoekerd hebben
jijzou overwoekerd hebben
hijzou overwoekerd hebben
wijzouden overwoekerd hebben
julliezouden overwoekerd hebben
zijzouden overwoekerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoverwoeker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From over- + woekeren.

Additional Information