Infinitive - Onbepaalde wijs: overlommeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overlommerend
Past participle - Verleden deelwoord: overlommerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | overlommer |
| jij | overlommert |
| hij | overlommert |
| wij | overlommeren |
| jullie | overlommeren |
| zij | overlommeren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb overlommerd |
| jij | hebt overlommerd |
| hij | heeft overlommerd |
| wij | hebben overlommerd |
| jullie | hebben overlommerd |
| zij | hebben overlommerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | overlommerde |
| jij | overlommerde |
| hij | overlommerde |
| wij | overlommerden |
| jullie | overlommerden |
| zij | overlommerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had overlommerd |
| jij | had overlommerd |
| hij | had overlommerd |
| wij | hadden overlommerd |
| jullie | hadden overlommerd |
| zij | hadden overlommerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overlommeren |
| jij | zult overlommeren |
| hij | zal overlommeren |
| wij | zullen overlommeren |
| jullie | zullen overlommeren |
| zij | zullen overlommeren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overlommerd hebben |
| jij | zult overlommerd hebben |
| hij | zal overlommerd hebben |
| wij | zullen overlommerd hebben |
| jullie | zullen overlommerd hebben |
| zij | zullen overlommerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overlommeren |
| jij | zou overlommeren |
| hij | zou overlommeren |
| wij | zouden overlommeren |
| jullie | zouden overlommeren |
| zij | zouden overlommeren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overlommerd hebben |
| jij | zou overlommerd hebben |
| hij | zou overlommerd hebben |
| wij | zouden overlommerd hebben |
| jullie | zouden overlommerd hebben |
| zij | zouden overlommerd hebben |
| jij | overlommer |