Infinitive - Onbepaalde wijs: overrompelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overrompelend
Past participle - Verleden deelwoord: overrompeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | overrompel |
| jij | overrompelt |
| hij | overrompelt |
| wij | overrompelen |
| jullie | overrompelen |
| zij | overrompelen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb overrompeld |
| jij | hebt overrompeld |
| hij | heeft overrompeld |
| wij | hebben overrompeld |
| jullie | hebben overrompeld |
| zij | hebben overrompeld |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | overrompelde |
| jij | overrompelde |
| hij | overrompelde |
| wij | overrompelden |
| jullie | overrompelden |
| zij | overrompelden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had overrompeld |
| jij | had overrompeld |
| hij | had overrompeld |
| wij | hadden overrompeld |
| jullie | hadden overrompeld |
| zij | hadden overrompeld |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overrompelen |
| jij | zult overrompelen |
| hij | zal overrompelen |
| wij | zullen overrompelen |
| jullie | zullen overrompelen |
| zij | zullen overrompelen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overrompeld hebben |
| jij | zult overrompeld hebben |
| hij | zal overrompeld hebben |
| wij | zullen overrompeld hebben |
| jullie | zullen overrompeld hebben |
| zij | zullen overrompeld hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overrompelen |
| jij | zou overrompelen |
| hij | zou overrompelen |
| wij | zouden overrompelen |
| jullie | zouden overrompelen |
| zij | zouden overrompelen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overrompeld hebben |
| jij | zou overrompeld hebben |
| hij | zou overrompeld hebben |
| wij | zouden overrompeld hebben |
| jullie | zouden overrompeld hebben |
| zij | zouden overrompeld hebben |
| jij | overrompel |