ontgoden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontgoden

The word "ontgoden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontgoden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontgodend
Past participle - Verleden deelwoord: ontgood

Cognates

See the 2 cognates of ontgoden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontgood
jijontgoodt
hijontgoodt
wijontgoden
jullieontgoden
zijontgoden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontgood
jijhebt ontgood
hijheeft ontgood
wijhebben ontgood
julliehebben ontgood
zijhebben ontgood

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontgoodde
jijontgoodde
hijontgoodde
wijontgoodden
jullieontgoodden
zijontgoodden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontgood
jijhad ontgood
hijhad ontgood
wijhadden ontgood
julliehadden ontgood
zijhadden ontgood

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontgoden
jijzult ontgoden
hijzal ontgoden
wijzullen ontgoden
julliezullen ontgoden
zijzullen ontgoden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontgood hebben
jijzult ontgood hebben
hijzal ontgood hebben
wijzullen ontgood hebben
julliezullen ontgood hebben
zijzullen ontgood hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontgoden
jijzou ontgoden
hijzou ontgoden
wijzouden ontgoden
julliezouden ontgoden
zijzouden ontgoden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontgood hebben
jijzou ontgood hebben
hijzou ontgood hebben
wijzouden ontgood hebben
julliezouden ontgood hebben
zijzouden ontgood hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontgood

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "ontgoden"

English ungod.

Additional Information