omstrengelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omstrengelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omstrengelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omstrengelend
Past participle - Verleden deelwoord: omgestrengeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstrengel om
jijstrengelt om
hijstrengelt om
wijstrengelen om
julliestrengelen om
zijstrengelen om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgestrengeld
jijhebt omgestrengeld
hijheeft omgestrengeld
wijhebben omgestrengeld
julliehebben omgestrengeld
zijhebben omgestrengeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstrengelde om
jijstrengelde om
hijstrengelde om
wijstrengelden om
julliestrengelden om
zijstrengelden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgestrengeld
jijhad omgestrengeld
hijhad omgestrengeld
wijhadden omgestrengeld
julliehadden omgestrengeld
zijhadden omgestrengeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omstrengelen
jijzult omstrengelen
hijzal omstrengelen
wijzullen omstrengelen
julliezullen omstrengelen
zijzullen omstrengelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgestrengeld hebben
jijzult omgestrengeld hebben
hijzal omgestrengeld hebben
wijzullen omgestrengeld hebben
julliezullen omgestrengeld hebben
zijzullen omgestrengeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omstrengelen
jijzou omstrengelen
hijzou omstrengelen
wijzouden omstrengelen
julliezouden omstrengelen
zijzouden omstrengelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgestrengeld hebben
jijzou omgestrengeld hebben
hijzou omgestrengeld hebben
wijzouden omgestrengeld hebben
julliezouden omgestrengeld hebben
zijzouden omgestrengeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstrengel om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information