masseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of masseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: masseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: masserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemasseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmasseer
jijmasseert
hijmasseert
wijmasseren
julliemasseren
zijmasseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemasseerd
jijhebt gemasseerd
hijheeft gemasseerd
wijhebben gemasseerd
julliehebben gemasseerd
zijhebben gemasseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmasseerde
jijmasseerde
hijmasseerde
wijmasseerden
julliemasseerden
zijmasseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemasseerd
jijhad gemasseerd
hijhad gemasseerd
wijhadden gemasseerd
julliehadden gemasseerd
zijhadden gemasseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal masseren
jijzult masseren
hijzal masseren
wijzullen masseren
julliezullen masseren
zijzullen masseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemasseerd hebben
jijzult gemasseerd hebben
hijzal gemasseerd hebben
wijzullen gemasseerd hebben
julliezullen gemasseerd hebben
zijzullen gemasseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou masseren
jijzou masseren
hijzou masseren
wijzouden masseren
julliezouden masseren
zijzouden masseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemasseerd hebben
jijzou gemasseerd hebben
hijzou gemasseerd hebben
wijzouden gemasseerd hebben
julliezouden gemasseerd hebben
zijzouden gemasseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmasseer

Translations

  • massage, to perform a massage on somebody
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From French masser. See: French 'masser'.

    Additional Information