cesseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cesseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cesseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cesserend
Past participle - Verleden deelwoord: gecesseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcesseer
jijcesseert
hijcesseert
wijcesseren
julliecesseren
zijcesseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecesseerd
jijhebt gecesseerd
hijheeft gecesseerd
wijhebben gecesseerd
julliehebben gecesseerd
zijhebben gecesseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcesseerde
jijcesseerde
hijcesseerde
wijcesseerden
julliecesseerden
zijcesseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecesseerd
jijhad gecesseerd
hijhad gecesseerd
wijhadden gecesseerd
julliehadden gecesseerd
zijhadden gecesseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cesseren
jijzult cesseren
hijzal cesseren
wijzullen cesseren
julliezullen cesseren
zijzullen cesseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecesseerd hebben
jijzult gecesseerd hebben
hijzal gecesseerd hebben
wijzullen gecesseerd hebben
julliezullen gecesseerd hebben
zijzullen gecesseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cesseren
jijzou cesseren
hijzou cesseren
wijzouden cesseren
julliezouden cesseren
zijzouden cesseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecesseerd hebben
jijzou gecesseerd hebben
hijzou gecesseerd hebben
wijzouden gecesseerd hebben
julliezouden gecesseerd hebben
zijzouden gecesseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcesseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information