marcheren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of marcheren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: marcheren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: marcherend
Past participle - Verleden deelwoord: gemarcheerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmarcheer
jijmarcheert
hijmarcheert
wijmarcheren
julliemarcheren
zijmarcheren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemarcheerd
jijhebt gemarcheerd
hijheeft gemarcheerd
wijhebben gemarcheerd
julliehebben gemarcheerd
zijhebben gemarcheerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmarcheerde
jijmarcheerde
hijmarcheerde
wijmarcheerden
julliemarcheerden
zijmarcheerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemarcheerd
jijhad gemarcheerd
hijhad gemarcheerd
wijhadden gemarcheerd
julliehadden gemarcheerd
zijhadden gemarcheerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal marcheren
jijzult marcheren
hijzal marcheren
wijzullen marcheren
julliezullen marcheren
zijzullen marcheren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemarcheerd hebben
jijzult gemarcheerd hebben
hijzal gemarcheerd hebben
wijzullen gemarcheerd hebben
julliezullen gemarcheerd hebben
zijzullen gemarcheerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou marcheren
jijzou marcheren
hijzou marcheren
wijzouden marcheren
julliezouden marcheren
zijzouden marcheren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemarcheerd hebben
jijzou gemarcheerd hebben
hijzou gemarcheerd hebben
wijzouden gemarcheerd hebben
julliezouden gemarcheerd hebben
zijzouden gemarcheerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmarcheer

Translations

  • march, walk with long, regular strides
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    gaan
    lopen, vorderen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle French marcher. See: Middle French 'marcher'.

    Additional Information