toehoren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toehoren

The word "toehoren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toehoren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toehorend
Past participle - Verleden deelwoord: toegehoord

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoor toe
jijhoort toe
hijhoort toe
wijhoren toe
julliehoren toe
zijhoren toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegehoord
jijhebt toegehoord
hijheeft toegehoord
wijhebben toegehoord
julliehebben toegehoord
zijhebben toegehoord

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoorde toe
jijhoorde toe
hijhoorde toe
wijhoorden toe
julliehoorden toe
zijhoorden toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegehoord
jijhad toegehoord
hijhad toegehoord
wijhadden toegehoord
julliehadden toegehoord
zijhadden toegehoord

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toehoren
jijzult toehoren
hijzal toehoren
wijzullen toehoren
julliezullen toehoren
zijzullen toehoren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegehoord hebben
jijzult toegehoord hebben
hijzal toegehoord hebben
wijzullen toegehoord hebben
julliezullen toegehoord hebben
zijzullen toegehoord hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toehoren
jijzou toehoren
hijzou toehoren
wijzouden toehoren
julliezouden toehoren
zijzouden toehoren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegehoord hebben
jijzou toegehoord hebben
hijzou toegehoord hebben
wijzouden toegehoord hebben
julliezouden toegehoord hebben
zijzouden toegehoord hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoor toe

Verbs similar to 'toehoren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information