egaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of egaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: egaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: egaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëgaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikegaliseer
jijegaliseert
hijegaliseert
wijegaliseren
jullieegaliseren
zijegaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëgaliseerd
jijhebt geëgaliseerd
hijheeft geëgaliseerd
wijhebben geëgaliseerd
julliehebben geëgaliseerd
zijhebben geëgaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikegaliseerde
jijegaliseerde
hijegaliseerde
wijegaliseerden
jullieegaliseerden
zijegaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëgaliseerd
jijhad geëgaliseerd
hijhad geëgaliseerd
wijhadden geëgaliseerd
julliehadden geëgaliseerd
zijhadden geëgaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal egaliseren
jijzult egaliseren
hijzal egaliseren
wijzullen egaliseren
julliezullen egaliseren
zijzullen egaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëgaliseerd hebben
jijzult geëgaliseerd hebben
hijzal geëgaliseerd hebben
wijzullen geëgaliseerd hebben
julliezullen geëgaliseerd hebben
zijzullen geëgaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou egaliseren
jijzou egaliseren
hijzou egaliseren
wijzouden egaliseren
julliezouden egaliseren
zijzouden egaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëgaliseerd hebben
jijzou geëgaliseerd hebben
hijzou geëgaliseerd hebben
wijzouden geëgaliseerd hebben
julliezouden geëgaliseerd hebben
zijzouden geëgaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijegaliseer

Translations

  • level, to destroy by reducing to ground level; to raze
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information