letten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of letten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: letten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lettend
Past participle - Verleden deelwoord: gelet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklet
jijlet
hijlet
wijletten
jullieletten
zijletten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelet
jijhebt gelet
hijheeft gelet
wijhebben gelet
julliehebben gelet
zijhebben gelet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklette
jijlette
hijlette
wijletten
jullieletten
zijletten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelet
jijhad gelet
hijhad gelet
wijhadden gelet
julliehadden gelet
zijhadden gelet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal letten
jijzult letten
hijzal letten
wijzullen letten
julliezullen letten
zijzullen letten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelet hebben
jijzult gelet hebben
hijzal gelet hebben
wijzullen gelet hebben
julliezullen gelet hebben
zijzullen gelet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou letten
jijzou letten
hijzou letten
wijzouden letten
julliezouden letten
zijzouden letten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelet hebben
jijzou gelet hebben
hijzou gelet hebben
wijzouden gelet hebben
julliezouden gelet hebben
zijzouden gelet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlet

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

beletten
verhinderen

Sample Sentences

  • [...] toeval over, wanneer en op welke wijze zij hiervan berigt zouden bekomen; zonder te denken om mijns vaders zegen of dien van God te vragen, zonder op de omstandigheden of gevolgen van mijn stap te letten, en God weet het, te kwader ure, den 1en September 1651, begaf ik mij scheep op het naar Londen bestemde vaartuig. Nimmer begonnen de ongelukken van een jongen avonturier spoediger, noch duurden [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch letten, from Old Dutch *letten, from Proto-Germanic *latjaną. Equivalent to laat (“late”) + -en (“deadjectival”) and shows the effect of historical umlaut. See: Proto-Germanic '*latjaną'.

Additional Information