klokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of klokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: klokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klokkend
Past participle - Verleden deelwoord: geklokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikklok
jijklokt
hijklokt
wijklokken
jullieklokken
zijklokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geklokt
jijhebt geklokt
hijheeft geklokt
wijhebben geklokt
julliehebben geklokt
zijhebben geklokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikklokte
jijklokte
hijklokte
wijklokten
jullieklokten
zijklokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geklokt
jijhad geklokt
hijhad geklokt
wijhadden geklokt
julliehadden geklokt
zijhadden geklokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal klokken
jijzult klokken
hijzal klokken
wijzullen klokken
julliezullen klokken
zijzullen klokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geklokt hebben
jijzult geklokt hebben
hijzal geklokt hebben
wijzullen geklokt hebben
julliezullen geklokt hebben
zijzullen geklokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou klokken
jijzou klokken
hijzou klokken
wijzouden klokken
julliezouden klokken
zijzouden klokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geklokt hebben
jijzou geklokt hebben
hijzou geklokt hebben
wijzouden geklokt hebben
julliezouden geklokt hebben
zijzouden geklokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijklok

Translations

  • clock, measure the duration of
  • time, to measure time
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch clocke.

    Verbs referencing "klokken"

    English cluck, German, old spelling glucken.

    Additional Information