kippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kippen

The word "kippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kippend
Past participle - Verleden deelwoord: gekipt

Cognates

See the 4 cognates of kippen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkip
jijkipt
hijkipt
wijkippen
julliekippen
zijkippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekipt
jijhebt gekipt
hijheeft gekipt
wijhebben gekipt
julliehebben gekipt
zijhebben gekipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkipte
jijkipte
hijkipte
wijkipten
julliekipten
zijkipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekipt
jijhad gekipt
hijhad gekipt
wijhadden gekipt
julliehadden gekipt
zijhadden gekipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kippen
jijzult kippen
hijzal kippen
wijzullen kippen
julliezullen kippen
zijzullen kippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekipt hebben
jijzult gekipt hebben
hijzal gekipt hebben
wijzullen gekipt hebben
julliezullen gekipt hebben
zijzullen gekipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kippen
jijzou kippen
hijzou kippen
wijzouden kippen
julliezouden kippen
zijzouden kippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekipt hebben
jijzou gekipt hebben
hijzou gekipt hebben
wijzouden gekipt hebben
julliezouden gekipt hebben
zijzouden gekipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkip

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "kippen"

English chip.

Additional Information