inwikkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inwikkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inwikkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inwikkelend
Past participle - Verleden deelwoord: ingewikkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwikkel in
jijwikkelt in
hijwikkelt in
wijwikkelen in
julliewikkelen in
zijwikkelen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingewikkeld
jijhebt ingewikkeld
hijheeft ingewikkeld
wijhebben ingewikkeld
julliehebben ingewikkeld
zijhebben ingewikkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwikkelde in
jijwikkelde in
hijwikkelde in
wijwikkelden in
julliewikkelden in
zijwikkelden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingewikkeld
jijhad ingewikkeld
hijhad ingewikkeld
wijhadden ingewikkeld
julliehadden ingewikkeld
zijhadden ingewikkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inwikkelen
jijzult inwikkelen
hijzal inwikkelen
wijzullen inwikkelen
julliezullen inwikkelen
zijzullen inwikkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingewikkeld hebben
jijzult ingewikkeld hebben
hijzal ingewikkeld hebben
wijzullen ingewikkeld hebben
julliezullen ingewikkeld hebben
zijzullen ingewikkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inwikkelen
jijzou inwikkelen
hijzou inwikkelen
wijzouden inwikkelen
julliezouden inwikkelen
zijzouden inwikkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingewikkeld hebben
jijzou ingewikkeld hebben
hijzou ingewikkeld hebben
wijzouden ingewikkeld hebben
julliezouden ingewikkeld hebben
zijzouden ingewikkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwikkel in

Translations

  • swaddle, to bind a baby
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Compound of in + wikkelen.

    Additional Information