kwakkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwakkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwakkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwakkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwakkeld

Cognates

See the 3 cognates of kwakkelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwakkel
jijkwakkelt
hijkwakkelt
wijkwakkelen
julliekwakkelen
zijkwakkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwakkeld
jijhebt gekwakkeld
hijheeft gekwakkeld
wijhebben gekwakkeld
julliehebben gekwakkeld
zijhebben gekwakkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwakkelde
jijkwakkelde
hijkwakkelde
wijkwakkelden
julliekwakkelden
zijkwakkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwakkeld
jijhad gekwakkeld
hijhad gekwakkeld
wijhadden gekwakkeld
julliehadden gekwakkeld
zijhadden gekwakkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwakkelen
jijzult kwakkelen
hijzal kwakkelen
wijzullen kwakkelen
julliezullen kwakkelen
zijzullen kwakkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwakkeld hebben
jijzult gekwakkeld hebben
hijzal gekwakkeld hebben
wijzullen gekwakkeld hebben
julliezullen gekwakkeld hebben
zijzullen gekwakkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwakkelen
jijzou kwakkelen
hijzou kwakkelen
wijzouden kwakkelen
julliezouden kwakkelen
zijzouden kwakkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwakkeld hebben
jijzou gekwakkeld hebben
hijzou gekwakkeld hebben
wijzouden gekwakkeld hebben
julliezouden gekwakkeld hebben
zijzouden gekwakkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwakkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

sukkelen
sjokken, slenteren, tobben
tobben
sukkelen

Sample Sentences

Etymology

From kwakken + -elen. Not related to kwakkel (“quail”).

Verbs referencing "kwakkelen"

English quake.

Additional Information