afwikkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afwikkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afwikkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwikkelend
Past participle - Verleden deelwoord: afgewikkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwikkel af
jijwikkelt af
hijwikkelt af
wijwikkelen af
julliewikkelen af
zijwikkelen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgewikkeld
jijhebt afgewikkeld
hijheeft afgewikkeld
wijhebben afgewikkeld
julliehebben afgewikkeld
zijhebben afgewikkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwikkelde af
jijwikkelde af
hijwikkelde af
wijwikkelden af
julliewikkelden af
zijwikkelden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgewikkeld
jijhad afgewikkeld
hijhad afgewikkeld
wijhadden afgewikkeld
julliehadden afgewikkeld
zijhadden afgewikkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afwikkelen
jijzult afwikkelen
hijzal afwikkelen
wijzullen afwikkelen
julliezullen afwikkelen
zijzullen afwikkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgewikkeld hebben
jijzult afgewikkeld hebben
hijzal afgewikkeld hebben
wijzullen afgewikkeld hebben
julliezullen afgewikkeld hebben
zijzullen afgewikkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afwikkelen
jijzou afwikkelen
hijzou afwikkelen
wijzouden afwikkelen
julliezouden afwikkelen
zijzouden afwikkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgewikkeld hebben
jijzou afgewikkeld hebben
hijzou afgewikkeld hebben
wijzouden afgewikkeld hebben
julliezouden afgewikkeld hebben
zijzouden afgewikkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwikkel af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afrollen
afwinden
afhandelen
afronden, regelen

Sample Sentences

Etymology

From af + wikkelen.

Additional Information