indruppelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of indruppelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: indruppelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: indruppelend
Past participle - Verleden deelwoord: ingedruppeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdruppel in
jijdruppelt in
hijdruppelt in
wijdruppelen in
julliedruppelen in
zijdruppelen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingedruppeld
jijhebt ingedruppeld
hijheeft ingedruppeld
wijhebben ingedruppeld
julliehebben ingedruppeld
zijhebben ingedruppeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdruppelde in
jijdruppelde in
hijdruppelde in
wijdruppelden in
julliedruppelden in
zijdruppelden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingedruppeld
jijhad ingedruppeld
hijhad ingedruppeld
wijhadden ingedruppeld
julliehadden ingedruppeld
zijhadden ingedruppeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal indruppelen
jijzult indruppelen
hijzal indruppelen
wijzullen indruppelen
julliezullen indruppelen
zijzullen indruppelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingedruppeld hebben
jijzult ingedruppeld hebben
hijzal ingedruppeld hebben
wijzullen ingedruppeld hebben
julliezullen ingedruppeld hebben
zijzullen ingedruppeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou indruppelen
jijzou indruppelen
hijzou indruppelen
wijzouden indruppelen
julliezouden indruppelen
zijzouden indruppelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingedruppeld hebben
jijzou ingedruppeld hebben
hijzou ingedruppeld hebben
wijzouden ingedruppeld hebben
julliezouden ingedruppeld hebben
zijzouden ingedruppeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdruppel in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information