huppelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of huppelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: huppelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: huppelend
Past participle - Verleden deelwoord: gehuppeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhuppel
jijhuppelt
hijhuppelt
wijhuppelen
julliehuppelen
zijhuppelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehuppeld
jijhebt gehuppeld
hijheeft gehuppeld
wijhebben gehuppeld
julliehebben gehuppeld
zijhebben gehuppeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhuppelde
jijhuppelde
hijhuppelde
wijhuppelden
julliehuppelden
zijhuppelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehuppeld
jijhad gehuppeld
hijhad gehuppeld
wijhadden gehuppeld
julliehadden gehuppeld
zijhadden gehuppeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal huppelen
jijzult huppelen
hijzal huppelen
wijzullen huppelen
julliezullen huppelen
zijzullen huppelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehuppeld hebben
jijzult gehuppeld hebben
hijzal gehuppeld hebben
wijzullen gehuppeld hebben
julliezullen gehuppeld hebben
zijzullen gehuppeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou huppelen
jijzou huppelen
hijzou huppelen
wijzouden huppelen
julliezouden huppelen
zijzouden huppelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehuppeld hebben
jijzou gehuppeld hebben
hijzou gehuppeld hebben
wijzouden gehuppeld hebben
julliezouden gehuppeld hebben
zijzouden gehuppeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhuppel

Translations

  • skip, move by hopping on alternate feet
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From huppen (“to hop”) + -elen (iterative suffix).

    Additional Information